Rex, de geschiedenis

Geschiedenis van de Rex ….

In 1924 begon men een artikel over de Rex als volgt. Een koning onder de konijnen door de buitengewone eigenaardigheid van zijn pels. Reeds nu al wekt het een groot opzien, en wordt door allen bewonderd en gunstig besproken. Hij kwam en overwon. En hem behoort de toekomst….

Zoals bijna alle rassen is ook de Rex een toevalsprodukt. Een mutatie niet in kleur maar in beharing. En wel zo rond 1919 ontstaan, althans wereldkundig gemaakt, in Frankrijk bij de landbouwer de heer Caillon in Luch Epringe in de provincie Lotharingen. Deze fokte gewoonlijk slachtkonijnen zoals men vroeger gewend was te doen. Uit een grijze voedster viel, naast enkele jongen, er ook een, die nog geen haar had, toen zijn nestbroeders al een normale pels bezaten.
Misschien is het ook wel zo, dat de fokkers vroeger vele van deze diertjes hebben weggedaan omdat ze er nu niet bepaald florissant uitzagen. Nu was het zo dat de zoon van deze fokker werkte bij de dorpspastoor: de abt Gillet. Hij vertelde de pastoor van het wonderlijk geval bij de konijnen van zijn vader. De abt toonde hier veel interesse in en kreeg met dit diertje ook het ouderpaar in zijn bezit. Hij fokte ook hiermee een nestje en zowaar was er weer een diertje bij met nagenoeg geen beharing. Hij had toen een paar, waar hij verder mee kon, want hij zag wel wat in dit wonderlijk gebeuren.

De genoemde abt vatte dan ook het plan op, om door onderlinge paring van deze, door de speling der natuur verkregen uitzonderlijk behaarde konijnen een nieuw ras te creëren. Na veel terugslag naar de oorspronkelijke beharing, geduld alsmede strenge selectie gelukte het de abt om zijn gestelde doel te bereiken. Alhoewel deze dieren nog veel tekortkomingen lieten zien. Ze waren nog matig in bouw, zoals zwak in benen en voorvoeten, niet best in de achterhand en ook in de beharing waren er nog veel wensen. Zo was er om de ogen weinig of geen beharing.

Steeds werden deze tekortkomingen verbeterd door verdere kruisingen en selecties. Zo verging het ook de kleur. De in aanvang onzekere kleur ging meer en meer in bruin over, en deze kleur bracht de abt ertoe aan het nieuwe ras de naam te geven van Castor, omdat de kleur veel leek op de beverkleur (Castor is bever). Deze naam werd later omgedoopt in Rex, dat koning betekent. De beverkleur, die deze Rexen bezaten bleef echter voortbestaan onder de naam Castor.
Er werd toen veel over deze kortharige dieren geschreven en er ontstond een grote hetze om ook maar een paar van deze dieren in bezit te krijgen. Letterlijk schreef men in een artikel het volgende: de bonthandelaren hebben zich reeds in den jaren 1923 voor dit nieuwe vel geïnteresseerd niet zozeer om de kleurenimitatie van de echte bever, doch meer om het eigenaardige ontbreken van de bovenharen. De wol is zeer dicht, zijdeachtig rechtstaand, blauw aan de wortel en donkerbruin aan het einde. De buik is wit, de flanken worden naar de rug toe steeds donkerder. De Castor Rex is tamelijk groot en bereikt op een leeftijd van 18 maanden een gewicht van 5 kg. Op deze leeftijd heeft het vel eerst zijn volle waarde, daar de kleur bij elke verharing donkerder wordt, om op 18 maanden het karakteristieke donkerbruin van de bever te bereiken. De jongen worden veel lichter geboren. De oren zijn lang en recht, de kop eerder klein, haasachtig. De voorbenen zijn kort, de achterbenen eerder lang. De voedsters werpen tussen de 5 en 10 jongen en menigmaal nog meer. Tot zover een artikel uit 1924.
Het moet voor de abt Gillet toch een grote voldoening geweest zijn toen hij deze dieren kon exposeren. En in het jaar 1924 in februari bracht hij 5 van deze dieren op de wereldtentoonstelling in Parijs en won daar alle prijzen, de sensatie was kompleet. Ook in de nutfokkerij zag men grote mogelijkheden in het verschiet voor dit ras, in verband met de fluweelachtige korte pels van deze dieren. Er werden voor die tijd fabelachtige prijzen betaald voor een fokpaar. En om dat geld weer snel terug te verdienen, werd er roofbouw op deze aankopen en hun nakomelingen gepleegd. Dit kwam het ras niet ten goede. De winst waarvan men had gedroomd veranderde al snel in verlies. Ook hier gebeurde wat al bij meerdere rassen was voorgekomen. De interesse werd minder voor de nutfokkerij en op het laatst toonde zij helemaal geen belangstelling meer. Maar de sportfokkerij had er een mooi ras bij.

Toen was er al verschil van mening over de kleur Men kende de lichtbruine en dieren met een donkere ticking. Was hier toen al verschil in de grondkleur aan de buik? Ook over de pelslengte en kwaliteit was er verschil van mening. Er werden zelfs congressen over gehouden hoe deze nu moest zijn. Er waren fokkers die een grovere en langere pels voorstonden dan die van de toenmalige dieren. De Rex heeft die rumoerige tijden overleefd, zij het dan niet als nutkonijn maar als een van onze vooraanstaande sportkonijnen. Dat dit maar zo niet even voor elkaar kwam is te begrijpen, evenzo dat er nog veel verbeterd moest worden.
Men moet namelijk bij dit alles niet vergeten dat naast de verandering van de pels door deze mutaties ook sprake was van een verlies. Een verlies dus dat zich niet alleen beperkte tot de verkorting en minder stevig worden van de dekharen en snorharen, maar ook een algemene ongunstige invloed uitoefende op de weerstand van het dier. Dit had niet slechts betrekking op de zgn. Gillet Rex maar eveneens op de enkele jaren later ontstane mutaties, die ook een korthaarpels hebben gegeven n.l. de Normandische Rex. Dat was in 1927. En de Lubeckse Rex in 1926.

Deze dieren onderscheidden zich uiterlijk weinig of niets van Gillet Rex, en ook wat hun weerstand betrof waren zij daaraan gelijk. Toch was hun erfelijke basis niet dezelfde, want kruiste men deze drie vormen onderling dan ontstonden er dieren met normaal haar. Maar binnen de grenzen van de eigen mutatie (dus Gillet Rex maal Gillet Rex) hadden de nakomelingen wel een Rex pels. Dus de eerste Rexen waren minder vitaal dan de normaal harige dieren en hun tentoonstellingskwaliteit was ook minder. Hierdoor zijn de doorzettende fokkers van dit ras te waarderen. Dankzij hen heeft men nu een ras dat alle kritieken kan doorstaan en dat met zijn karakteristieke raseigenschappen, de korte zachte en dichte beharing op iedere tentoonstelling hoge ogen gooit.

Waren het de Engelse en Duitse fokkers, die veel dieren importeerden, en er ook veel aan verbeterden, de Nederlandse fokkers lieten zich ook niet onbetuigd. In de jaren twintig kwamen de eerste Castor Rexen ook hier hun opwachting maken. Ze zullen het niet makkelijk gehad hebben de eerste tijd om uit die importdieren wat goeds te fokken. Maar door volhouden en strenge selectie heeft men toch bereikt dat het ras in 1927 in de Nederlandse standaard werd opgenomen en wel in de kleuren Castor, zwart, blauw, rood en chinchilla.

In de loop der jaren zijn door kruisingen veel andere kleuren gefokt bij de Rexen, en vooral prof. E. Kohler uit Thumenau bij Straatsburg heeft hier in de beginjaren van de Rex veel goeds gedaan. Maar in de jaren dertig is men eigenlijk pas goed begonnen om door inkruisen met diverse middenrassen, zoals chinchilla’s, Havanna’s, blauwe en witte Weners, Luchs enz. en later ook marters om meer kleur, mede kleurvariaties in het ras te brengen. Hiervan maakte wel de meeste opgang de witte kleur*, mede ook omdat een wit getekend dier niet in alles zo moeilijk te fokken is als een gekleurd dier, waarbij men met meerdere factoren rekening moet houden. De witte Rexen werden toen al erkend met blauwe en rode (kleurloze) oogkleur, wat heden ten dage nog steeds het geval is. Begonnen met de Castor kleur is de Rex vandaag de dag erkend in meer dan 15 kleuren en in dalmatiner tekening en rustekening.

We mogen stellen dat de Rex heden ten dagen in Nederland op een zeer hoog peil staat, zowel wat de pelshoedanigheid aangaat als de kwaliteit van de voorhanden zijnde kleuren. Natuurlijk kan en moet men naar verbetering streven, dat doet men dan ook. Maar steeds moet daarbij goed in het oog worden gehouden dat de pelshoedanigheid altijd de belangrijkste factor blijft. **

* Notitie: Eigenlijk wordt wit niet gezien als kleur, maar het is juist een overdaad aan kleuren, wit bestaat uit een “volmaakte” samenstelling van het gehele kleurenspectrum. De tegenhanger van wit (zwart dus) is daarentegen juist het ontbreken van kleur. Als je dier dan witte nagels heeft (bijvoorbeeld) val je direct door de mand.

**De auteur bedoelt hier natuurlijk de fokcriteria, het welzijn van de dieren gaat voor en boven alles.

Bron: website Henk Kastelein, met dank.

Boven

537 keer gelezen